Parasjat Inspiratie – Beha’alotcha

“Spreek tot de Israëlieten en zeg: Iedereen onder u of onder de generaties na u, wanneer hij onrein is vanwege het aanraken van een dood lichaam of ver onderweg is, moet toch voor de HEERE het Pascha houden. In de tweede maand, op de veertiende dag, tegen het vallen van de avond, moeten zij het houden; met ongezuurde broden, en met bittere kruiden moeten zij het eten.”

Numeri 9: 10-11

In het Toragedeelte van deze week staat het gebod van de tweede Pèsach. Dit gebod heeft meer uitleg nodig dan wat er in Sifree Bamidbar staat. Om dit gebod te begrijpen, moeten we zowel het gebod van Pèsach zelf begrijpen als de geboden over toema (onrein) en tahara (rein).

Als je het Tempelgebied wilt betreden, mag je niet in een staat van toema zijn. Op de veertiende Nisan mag iemand die onrein is doordat hij een dood lichaam heeft aangeraakt, het Pèsachoffer dus niet brengen. Het is belangrijk om te zien dat er in het Hebreeuws ‘la’asot’ staat. Dat betekent ‘een offer maken/doen’. Het eten van het Pèsach is zelfs een heel ander gebod. Om het Pèsach te maken (dus om het offer naar de Tempel te brengen en het aan te bieden), moet je in een staat van tahara zijn. Je mag immers het Pèsach alleen maken op de plaats die HaSjem uitkoos: de Tempelberg.

We bekijken nog even het proces van het Pèsach. Pèsach is één van de drie pelgrimsfeesten. Geschiedkundigen schatten dat de bevolking in Jeruzalem (binnen de stadsmuren) ten tijde van Jesjoea toenam van ongeveer 70.000 tot meer dan 3 miljoen. Dit betekent dat er zo’n veertig-vijftig keer meer mensen in Jeruzalem waren dan gewoonlijk. Ze kwamen er om het Pèsach te vieren. Een gezin was dus zo’n veertig-vijftig keer groter dan normaal. Bedenk dat het Pèsachoffer voor een gezin gebracht werd, niet voor een individu. Slechts één iemand per gezin –gewoonlijk het hoofd van het gezin- moest naar de Tempel gaan om het Pèsachoffer te brengen.

Wat gebeurde er als het gezinshoofd toema was op de veertiende Nisan? Dan ging een ander lid van het gezin naar de Tempel om het Pèsachoffer te brengen. Merk op dat je niet tahara hoeft te zijn om het Pèsachoffer te eten. Die vereiste is er alleen voor het brengen van het Pèsachoffer. Heel Israël moet het Pèsachoffer eten, of men nu toema of tahara is. Het was dus iemand anders van het gezin, de oudste zoon bijvoorbeeld, die naar de Tempel ging om het Pèsachoffer te brengen. Ook het gezinshoofd kon van het offer eten, zoals de Tora voorschrijft.

Het kwam heel weinig voor, maar het is gebeurd, dat een heel gezin in een staat van toema was op Pèsach. Denk bijvoorbeeld aan oorlogstijden. Soldaten raakten vele dode lichamen aan. In zo’n geval is de tweede Pèsach van toepassing. Daarom konden mensen die met Pèsach in een staat van toema waren, een maand na Pèsach opnieuw het Pèsach brengen; de tweede Pèsach.

De Wijzen leggen uit dat de tweede Pèsach ook voor mensen was die te ver van Jeruzalem waren en er niet naartoe konden reizen op de eerste Pèsach. Het idee is dat ‘ver zijn’ omwille van toema hetzelfde is als ‘ver zijn’ qua afstand. Als we het ‘kal wechomèr’ (licht en zwaar) principe toepassen, kunnen we zeggen dat, als je te ver bent in de diaspora (verstrooiing) om de eerste Pèsach te brengen, je kan komen om de tweede Pèsach te brengen.

Het gebod van de tweede Pèsach vervul je door het Pèsach te brengen en het met matsa (ongezuurd brood) en maror (bittere kruiden) te eten. Je hoeft dan niet zeven dagen matsa te eten. Je hoeft ook je huis niet te ontdoen van gist. Het mitswa (gebod) is gewoon dat je het Pèsach moet brengen en het met matsa en maror moet eten. Niets meer. Daarom is er vandaag de dag geen invulling voor het tweede Pèsach. Er is immers geen Tempel. Niemand kan het eerste Pèsachoffer brengen en niemand kan het tweede Pèsachoffer brengen. Totdat de Tempel herbouwd is, vieren we daarom het tweede Pèsach niet.

GEEF JE OP VOOR ONZE NIEUWSBRIEF!

Ontvang onze wekelijkse studies en leer Tora!

Rabbi Steven Bernstein

Rabbi Steven Bernstein

Steve was born on Lag B’Omer in Ann Arbor, MI but was raised in Gainesville, FL. The son of two University of Florida professors, he excelled in the sciences in school. In addition to his normal academic studies, he pursued his Jewish education studying with many Rabbis and professors of Judaic Studies from the University including visiting Rabbis such as Abraham Joshua Heschel and Shlomo Carlebach.