Parasjat Inspiratie – Èmor

“De HEERE zei tegen Mozes: Spreek tot de kohaniem (priesters), de zonen van Aäron, en zeg tegen hen: Een priester mag zichzelf niet verontreinigen met een dode onder zijn volksgenoten, behalve met zijn naaste bloedverwant: met zijn moeder, met zijn vader, met zijn zoon, met zijn dochter, met zijn broer. En met zijn zuster die maagd is, die nauw aan hem verwant is, die nog niet aan een man toebehoort. Met haar mag hij zich verontreinigen.”

Leviticus 21:1-3

Parasjat Èmor begint met de wetten voor de priesters in verband met begrafenissen. Als iemand bij een dood lichaam is, wordt die persoon toema; onrein. Daarom zijn er hele strenge wetten voor de kohaniem en kunnen ze niet zomaar bij een dood lichaam zijn. In de parasja staat duidelijk dat kohaniem zichzelf alleen maar toema mogen maken voor de begrafenis van een naast familielid.

Wie is een naast familielid? De Tora beschrijft dit zorgvuldig. Een naast familielid is een vader, een moeder, een kind, een broer of een ongehuwde zus. Alleen deze familieleden worden als nauwe verwanten aangeduid. Alleen voor deze naaste familieleden mag een koheen toema worden door bij de begrafenis te zijn.

Het Kaddiesj is een heel oud Joods gebed. Er wordt naar verwezen in het Onze Vader en het maakt deel uit van de synagogedienst. In een traditionele Sjachariet/Moesaf dienst wordt het Kaddiesj in één of andere vorm tot wel dertien keer gezegd. De meest recente vorm van het Kaddiesj die deel werd van de synagogedienst, is het Kaddiesj door de rouwende.

De vroegste verwijzing naar het Kaddiesj door de rouwende, is uit de 12e eeuw n.C.. Minder lang geleden werd het Kaddiesj door de rouwende hét Kaddiesj bij uitstek van de synagoge en de synagogedienst. Rouwenden staan op om het Kaddiesj te zeggen tijdens elke synagogedienst. Ze doen dit een jaar lang na het sterven van een naast familielid. Ze doen dit ook jaarlijks op de sterfdag en op de Sjabbat vlak na de sterfdag.

Wie moet opstaan om het Kaddiesj door de rouwende te zeggen? Het antwoord vinden we in de definitie die de Tora geeft van een naast familielid. In Leviticus 21:1-3 staat wie de naaste familieleden van een koheen zijn. De Rabbi’s namen deze definitie over en pasten die toe op het Kaddiesj door de rouwende. Dit betekent dus dat een naast familielid een vader, een moeder, een zoon, een dochter, een broer en een ongehuwde zus is. Voor deze ga je staan om het Kaddiesj te zeggen. Als iemand anders sterft, ga je niet staan bij het Kaddiesj door de rouwende. Zelfs al heb je heel veel van die persoon gehouden. Zo weet iedereen in de synagoge dat diegenen die staan voor het Kaddiesj door de rouwende, dit doen om een naast familielid te eren. Iedereen in de synagoge weet immers wat de definitie voor een naast familielid is.

Als je geen naast familielid van de gestorvene bent, maar de gestorvene wel een speciale plek in je hart heeft, mag je stilletjes het Kaddiesj door de rouwende meezeggen met de naaste familieleden, maar je blijft wel zitten. Staan is alleen voor de naaste familieleden die de gestorvene eren. Er is nog een andere manier om de gestorvene te eren als je geen nauwe verwant bent. Je kunt de antwoorden in het Kaddiesj door de rouwende, luid en duidelijk meezeggen. Maar je mag in geen geval doen alsof je een naast familielid bent door te gaan staan bij het Kaddiesj door de rouwende.

GEEF JE OP VOOR ONZE NIEUWSBRIEF!

Ontvang onze wekelijkse studies en leer Tora!

Rabbi Steven Bernstein

Steve was born on Lag B’Omer in Ann Arbor, MI but was raised in Gainesville, FL. The son of two University of Florida professors, he excelled in the sciences in school. In addition to his normal academic studies, he pursued his Jewish education studying with many Rabbis and professors of Judaic Studies from the University including visiting Rabbis such as Abraham Joshua Heschel and Shlomo Carlebach.